Koude koffie

Bijgewerkt op: 30 jan
Als vanzelf spreken we om de twee dagen af. Op onze uitstappen veroveren we menig fietsostrade, gaan wildplukken op zoek naar eetbare kruiden of zwemmen tussen lelies in kronkelende waterwegen. Betoverende plekken die we ontdekken, zijn en - we beloven het elkaar - blijven ons geheim. We laten hoopjes van onszelf achter in het huis en het hoofd van de ander.
En toch.
Hij knapt af op het accent van mijn geboortestreek en is bezorgd om wat zijn vrienden uit de theaterwereld daarvan zouden vinden. Ik ben dan weer bezorgd over wat dit zegt over de waarden die belangrijk voor hem zijn en of die wel compatibel zijn met de mijne. Ook tussen de lakens loopt het niet gelijkop met de romantiek van ons prille liefdesverhaal: de een heeft altijd goesting en de ander zelden, en onze lichaamsdelen passen niet zo goed ineen - er is te veel tussenruimte.
Tot die ene keer van onbezonnenheid dat eerst hij de prikkende stof van de zetel onder zijn rug voelde, en daarna ik de koude van de keukentafel aan mijn billen. De dagen na dit zeldzame momentum teisterden vele vragen ons rond dat ene slijmerige vroege vocht en wispelturige menstruatiecycli. Voor de zekerheid, maar eigenlijk vooral vanwege de gemoedsrust, haalde ik een test, waar ik net nog een aantal seconden goed mikkend op zat te plassen.
Statig en kordaat verschijnt de linker streep meteen op het testresultaat. Ik kom terug de keuken in en leg de test naast de french press, waarvan Maarten net de filter naar beneden duwt. Stoïcijns smeert hij een boterham met choco en legt die op mijn bord. Ik schenk voor ons beide koffie uit en nestel me gehaakt op zijn schoot. Met mijn pols rustend op zijn schouder en zijn hand tegen mijn dijen, vormen onze lichamen een nieuwe eenheid. Onze tassen, naast elkaar, dampen samen tot één mistwolk. Het duurt nu nog slechts een paar minuten om te zien of op de test ook de streep aan de rechterkant tevoorschijn komt. Nog enkele minuten van spanning en onzekerheid.
Ik neem mijn kop koffie erbij en zak enigszins al wat in de ontspanning en dieper in zijn schoot. āDat is best vervelend voor je om dan abortus te doen.ā Het is geen vraag. Met een slok van de koffie, en nog een slok, geef ik zijn allicht goedbedoelde stellingname tijd om te bezinken. āIs dat dan het plan?ā mijmer ik luidop en voor me uit starend in het luchtledige. āMisschien zou ik het niet zo erg vinden om zwanger te zijn. Het zou toch ook een positieve uitdraai kunnen hebben. Dan heb ik meteen een doel, zingeving, iets om voor te leven. Een zwangerschap⦠bevallen ā¦ā De sterke koffie geeft me de kracht om aan te vullen. ā... dat is toch het summum van belevingen die je als vrouw kan meemaken. Dan wordt je toch pas echt volwaardig vrouw.ā Ik kijk hem aan en zie hoe alle kleur weg trekt uit zijn gezicht. De man die in elke situatie ad rem een taalmop verzint, moeiteloos monologen reciteert in theaterzalen, stamelt nu slechts wat losse woorden aaneen.
āIk kan dat ook alleen, hĆ©ā, probeer ik hem gerust te stellen. āHoe zeggen ze dat? Een BOM, bom-moeder ⦠, of⦠BAM?ā Ik leun wat meer naar achteren, zet de lege kop weg en kruis mijn armen. Mijn brein gaat door met de bedenkingen en neemt het gesprek verder van me over. āAbortus is voor mij echt niet dĆ© te volgen weg mocht het zo zijn dat die test positief is.ā Het woord zwanger lijk ik nu zelf ook te confronterend te vinden. āIk vind dat we minstens over alle opties kunnen nadenken en overwegen wat het met elk van ons doet. Wat vind ik belangrijk in het leven? Wat vind jij? Waar willen we naartoe, samen en alleen? Anders lijkt het net alsof ik maar gewoon verkouden ben en tussendoor even snel naar de apotheek ga om keeltabletten te kopen.'
Hij zwijgt in alle talen die hij spreekt. Ik ruil de lichaamswarmte van zijn schoot in voor mijn stoel en neem een hap van de boterham die nog onaangeroerd op mijn bord ligt.
āEn ook,ā zeg ik met mijn mond halfvol, ādat gaat hier nog altijd over mijn lichaam, en eigenlijk veel meer over mijn leven dan over dat van jou. Want zoals ik zei, ik kan dit gerust alleen.ā
āDat kan ik niet,ā Hij weet eindelijk iets uit te brengen. āwetende dat ergens dan een kind van mij rondloopt. Wat zouden mijn ouders⦠ā
Ik laat hem zijn zin niet afmaken. āMaar, wtf, je ouders? Is dat nu het eerste waar jij aan denkt? Die hebben daar toch helemaal niets mee te maken. Ze hoeven er zelfs niet eens iets van te weten.ā
āDat kan ik niet.ā Hij zit vast in zijn hoofd. Hij vindt er enkel dezelfde vier woorden.
Ik maak mijn ogen groter en mijn wenkbrauwen en schouders gaan de hoogte in. āOp zich wĆl ik geen kind hĆ©,ā zeg ik zo rustig als ik kan. āIk heb niet die kinderwens die veel vrouwen hebben, nooit echt gehad. En wij, als koppel⦠we zijn nog zo pril. Maar dan nog!ā Ik word weer wat stelliger. āEvengoed zijn wij hier kĆ©i-blij mee!ā
Peinzend knabbel ik verder de boterham naar binnen. āIk vind gewoon dat we tenminste de mogelijkheid van een kind kunnen overwegen', mompel ik. Kruimels en een druppel speeksel vallen op het bord. āEn het is nu ook niet meteen een feministisch wereldbeeld waar je mee strooit als je meteen begint over een abortus.ā
Even hou ik op met knabbelen. āVind je dat dan zo evident? Zonder nadenken meteen beslissen wat in mijn lichaam mag gebeuren?ā Mijn oog valt op de balpenvormige plastic staaf. Ik zie nog steeds maar ƩƩn streep, en de wachttijd is ondertussen zeker voorbij. Hij ziet het ook. Onze blikken zoeken elkaar.
āPfoeh!ā, Maarten spreekt zijn zucht van opluchting uit. Op zijn beurt trekt Maarten zijn ogen wijder open, waarbij zijn hoofd ietwat naar voor en weer terug schokt. Hij komt naar voren op zijn stoel, legt zijn handen op mijn bovenbenen en zegt verlicht van alle zorgen: āWat een geluk.ā Hij neemt een boterham uit de zak en de pot choco, smeert, neemt een slok van zijn koffie. āMeh,ā Hij trekt zijn mondhoeken naar beneden. āKoud.ā

Opmerkingen